maandag 2 juli 2012

Toepassingskaart 8: TAALBELEID OP SCHOOLNIVEAU

Taalbeleid van ‘De Leidse Schipper’.

Inleiding
De Leidse Schipper vindt taal erg belangrijk. Als school hebben wij ervoor gekozen om taal te integreren in de verschillende vakken die gekozen worden. Taal is erg belangrijk en we krijgen dagelijks met taal te maken. Daarom heeft de school ervoor gekozen om bijvoorbeeld ook tijdens de zaakvakken de taal terug te laten komen. Verder vindt de school het belangrijk om naast de methoden ook gebruik te maken van taal in de praktijk. Wij vinden dat een kind door middel van praktijkopdrachten veel leert wat betreft de dagelijkse omgang met taal.
De taalcoördinatoren hebben het taalbeleid onderverdeeld in twee verschillende delen.
-          Taalonderwijs
-          Taalomgeving
Deze worden uitgebreid beschrijven in het taalbeleid van de school.

In onze school staan praktijkgericht werken en Meervoudige Intelligentie centraal. Dit uit zich onder andere in de praktijkdagen op woensdag. In deze praktijkdagen leren de leerlingen praktijkgericht schrijven, spreken en lezen. Ook wordt voornamelijk in deze praktijkdagen veel aandacht besteed aan de Meervoudige Intelligentie, leerlingen zijn hier niet alleen maar bezig met schrijven, maar doen veel wat aanspraak maakt op de verschillende vormen van Meervoudige Intelligentie.
De methode maakt op deze woensdagen plaats voor eigen gemaakte lessen van de leerkrachten die aansluiten bij het thema van die dag of weken. Wel sluiten deze lessen aan op de Tule leerlijnen en het referentieniveau 1F.

Taalonderwijs

Taal bij kleuters
In de groepen 1 en 2 wordt met de methode ‘Schatkist’ gewerkt. Bij deze methode komen aan de hand van thema’s spelenderwijs voorbereidende taalactiviteiten aan bod. De thema’s die aan bod komen liggen dicht bij de belevingswereld van de kinderen. ‘Schatkist’ werkt vanuit betekenisvolle contexten, wat goed aansluit op onze visie op het praktijkgerichte werken, waarin wij ook betekenisvolle contexten willen creëren.
Schatkist biedt ruim aandacht aan de ontwikkeling van het fonologisch bewustzijn en alfabetisch principe.
Door kansrijke taalhoeken waarin wij, aansluitend op de thema’s, kinderen taal op een leuke manier aanbieden, wordt hieraan gewerkt..
Ook sluit de methode aan op onze methode voor groep 3, ‘Veilig leren lezen’.
Het werken gebeurt vanuit de kring. Daarin begint de schooldag en hierin keren de kinderen ook steeds terug. Naast de grote kring (hele klas) wordt er geleerd in de kleine kring,  gespeeld en gewerkt aan tafels,  in de hoeken, in de speelzaal en op het speelplein.
Bij de jongste kinderen ligt de nadruk op het wennen aan het naar school gaan. Er is dan ook veel aandacht voor gewoontevorming en voor regelmaat. Leren gebeurt vooral door spelen. Dat geldt ook voor de oudste kleuters, waarbij gestuurd leren toenemende aandacht krijgt.
Verschillende ontwikkelingsgebieden worden in samenhang aan de hand van een bepaald thema aangeboden. Wie speelt in de poppenhoek is ook bezig met taalontwikkeling. Als een kind schildert, is hij/zij door het maken van bepaalde vormen ongemerkt bezig met  voorbereidend schrijven. In de kleutergroep is er veel aandacht voor taalontwikkeling, omdat een goede taalbeheersing van groot belang is voor allerlei vormen van leren.

Middenbouw
In groep 3 wordt veel instructie gegeven bij het leren lezen, rekenen en schrijven.
Voor taal gebruiken we moderne bestaande lesmethoden. Na de instructie gaan de kinderen zo veel mogelijk zelfstandig aan het werk. De leerkrachten kiezen leerstof die past bij de ontwikkeling van het kind.
Bij de aanschaf van methodes letten we er  dan ook op in welke mate kinderen er zelfstandig mee kunnen werken.
Het automatiseren en integreren van het leren lezen en schrijven staat in hoog geding.

Gebruikte methodes
Aanvankelijk technisch lezen :    Veilig leren lezen (2e maanversie)
Voortgezet technisch lezen:                     Estafette (nieuw) groep 4
Nederlandse Taal :                                     Taal actief

Veilig leren lezen maakt onderdeel uit van een doorgaande leerlijn voor leesontwikkeling in het basisonderwijs. Van groep 1 tot en met 8 sluiten de Zwijsen-methoden naadloos op elkaar aan en groeien kinderen van Schatkist (groep 1 - 2) eenvoudig door naar Veilig leren lezen (groep 3) en Estafette Nieuw (groep 4 tot en met 8).

Veilig leren lezen (2e maanversie)
Veilig leren lezen is een structuurmethode. Met zorgvuldig gekozen woorden wordt leerlingen de alfabetische structuur van ons spellingsysteem bijgebracht. Door deze ‘structureerwoorden’ te zien, te horen en uit te spreken, leren kinderen klanken en letters verbinden en deze vaardigheid ten slotte te automatiseren.
Met Veilig leren lezen kan de leerkracht al snel nieuwe woorden laten lezen door de kinderen,  met de letters die ze hebben geleerd. Verder is er veel aandacht voor het automatiseren van de letterkennis en het stimuleren van vloeiend lezen.
Veilig leren lezen biedt concrete mogelijkheden en materialen om in te spelen op verschillen tussen leerlingen. Zo is er een maangroep voor kinderen die starten met het leesonderwijs en een zongroep voor kinderen die al vlot kunnen lezen. Met de bijbehorende differentiatiematerialen kan de leerkracht vervolgens zorgen voor de juiste aanpak voor elke leerling.
Veilig leren lezen is een multimediale methode. Naast kleurrijke leesboekjes, werkboekjes en andere materialen, biedt de methode ook digitale toepassingen.

Estafette
Met Estafette Nieuw bouwen leerlingen consequent aan een goede technische leesvaardigheid. De methode leert kinderen vlot, vloeiend en correct lezen. Natuurlijk moet de woordherkenning daarvoor direct en foutloos verlopen. Maar voor een goede leestechniek is oefenen op zins- en tekstniveau ook essentieel. Estafette oefent deelvaardigheden eerst geïsoleerd in de werkboeken en integreert ze daarna in het complexere geheel: de leesboeken.

Taal Actief
Taal actief bestaat uit de onderdelen taal, spelling en woordenschat extra. Deze leerlijnen zijn volledig op elkaar afgestemd. Elk thema begint met een ankerverhaal, geschreven door een bekende kinderboekenauteur. De ankerverhalen zijn het vertrekpunt voor alle lessen. Daarin komen al enkele taaldoelen en spellingdoelen aan bod. De woordenschatwoorden uit de ankerverhalen komen in de lessen van alle domeinen terug.
Alle lesdoelen zijn op 3 niveaus uitgewerkt. De kinderen starten met een beginopdracht. De score bepaalt op welk niveau elk kind aan de slag gaat. Voor taalbegaafde kinderen heeft de methode een plusboek met uitdagende opdrachten Er zij herhalingslessen, waarin de doelen worden herhaald en toegepast. Bij het domein spelling is er aan het eind van elke instructieles een oefendictee, waarin ook opfriscategorieën zijn opgenomen. Verder zijn er diverse extra oefenbladen voor taal en spelling.
De methode sluit volledig aan bij de kerndoelen Nederlands en het referentiekader taal. Tijdens aparte lessen worden de volgende taaldomeinen behandeld: taal verkennen, woordenschat, spreken & luisteren, schrijven. De methode besteedt tevens veel aandacht aan woordenschat.
Het domein spelling behandelt twee domeinen: spelling (de onveranderlijke woorden) en werkwoordspelling. Al in groep 6 start de werkwoordspelling. De methode kent 38 spellingcategorieën. In elke basisweek biedt de methode actief één nieuwe spellingcategorie aan. Daarnaast worden elke week twee eerder aangeboden categorieën ‘opgefrist’.
Voor kinderen met een beperkte woordenschat heeft Taal actief het programma woordenschat extra. In dit programma worden eenvoudige woorden aangeboden die niet in het basispakket van de methode voorkomen.

Zelfstandig werken
Het zelfstandig werken speelt in deze groepen een grote rol. Leerlingen worden vanaf de onderbouw groepen geleerd om zelfstandig met een taak bezig te zijn via het GIP-model.
Het GIP-model richt zich in eerste instantie op een goede organisatie in de groep, waardoor de leerlingen zelfstandig kunnen werken. De leerkracht krijgt daardoor de mogelijkheid om instructie en begeleiding op maat te geven. Zelfstandig werken kan gezien worden als een voorwaarde voor het geven van instructie aan individuele leerlingen of aan een groepje leerlingen. De leerlingen weten wanneer ze zelfstandig moeten werken. Op het bord komt dan de rode stip. De leerlingen weten ook hoe lang het zelfstandig werken duurt.

Vooral de methode Taal Actief bied veel ruimte voor zelfstandig werken. Dit komt onder andere door de duidelijke structuur die de methode heeft. Het biedt handvatten voor leerkracht en leerling. Ook biedt de methode de leerdoelen aan de leerlingen aan, waardoor zij meer gericht aan het werk kunnen gaan.

Natuurlijk wordt het zelfstandig werken aangepast aan de ontwikkeling van de leerlingen. Het zelfstandig werken biedt voor de leerkracht mogelijkheden om een groepje leerlingen extra uitleg te geven. Hiermee wordt differentiatie zowel naar boven als naar beneden mogelijk gemaakt. Het zelfstandig werken wordt voor de leerlingen visueel gemaakt door een stoplicht of een dobbelsteen. Een dobbelsteen of een stoplicht op rood betekent dat de leerlingen zelfstandig moeten werken. Bij een groen licht/ teken mag er ook overlegd worden met een medeleerling. Tijdens het zelfstandig werken loopt de leerkracht regelmatig een rondje door de groep om leerlingen waar nodig hulp te kunnen bieden.

Taalomgeving
InleidingDe taalomgeving in de school bestaat onder andere uit een bibliotheek, diverse hoeken in de klas, de praktijkwoensdagen en elke ochtend lezen in de school.
De bibliotheek bestaat uit een apart lokaal met diverse kasten met gelabelde boeken, kinderen kunnen hierdoor makkelijk op zoek naar een thema naar keuze of naar het eigen leesniveau. Om te helpen in de bibliotheek is onze bibliothecaresse aanwezig, dit is altijd een taalcoördinator. Kinderen krijgen tweemaal in de week de kans om in de bibliotheek uitgebreid te kijken naar een nieuw boek met hulp van de bibliothecaresse.
Eenmaal in het jaar bekijken de taalcoördinatoren of de boeken nog up-to-date zijn.
In de lokalen zijn er diverse taalhoeken ingericht met het thema van de praktijkwoensdagen. Hierin zijn onder andere boeken te vinden, spellen om de sociale vaardigheden te oefenen en materialen om eventuele spreekbeurten of werkstukken voor te bereiden.
Elke ochtend begint de dag met een kwartier lezen in een zelfgekozen boek. De school hecht veel waarde aan het lezen leuk maken voor de leerlingen. Kinderen leren van lezen, zij leren begrijpend lezen, spelling en technisch lezen.
Elke vrijdag is er ruimte voor duo lezen, kinderen lezen in tweetallen in de klas, waarbij de leerkracht veel rondloopt om te begeleiden.

De leerkracht als sleutelfiguur
De leerkracht heeft een begeleidende, inspirerende en stimulerende rol. De leerkracht past zijn taalonderwijs aan naar de leerlingen. Hij begeleidt de leerlingen bij de activiteiten die de kinderen ondernemen, hij inspireert door een positieve en enthousiaste houding voor de klas te hebben en stimuleert de kinderen door ze uitdagende rekenopgaven op niveau aan te bieden. De leerkracht zorgt voor taalonderwijs waaraan alle kinderen actief kunnen deelnemen.
Dit gebeurt niet alleen in het taalonderwijs, natuurlijk wordt er in de zaakvakken ook aandacht besteed aan taal. Taal is immers een zaak van alle vakken. Voor elk vak moeten de kinderen een zeker niveau van begrijpend lezen hebben bereikt, waar de leerkracht hard aan werkt.

Structuur en organisatie
Wij vinden het belangrijk om de kinderen een structuur aan te bieden op school. Dit creëert rust bij zowel de kinderen als de leerkracht. Deze structuur ziet u onder andere terug in het werken met een vast taalrooster. Vanaf groep drie wordt er elke dag 60 minuten taalonderwijs aangeboden. Elke woensdag is ingericht als praktijkdag, waarbij de kinderen de ruimte krijgen om het belang van  taal te ervaren. De andere dagen wordt er gewerkt vanuit de nieuwe methode ‘Taal actief’.

Kinderen krijgen veel ruimte om zich te ontwikkelen
Als school hechten wij belang aan de inzet van meervoudige intelligentie en praktijkgericht onderwijs. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen aanzienlijk beter presteren als ze onderwijs aangeboden krijgen waarbij zij op hun eigen wijze tot ontwikkeling kunnen komen.
Praktijkgericht onderwijs bieden wij een keer per week aan door middel van een praktijkdag waarbij de kinderen uit de schoolbanken komen om taal te beleven.
Hierbij kan gedacht worden, op het gebied van het gesproken woord; boekpresentaties, vergaderingen, toneelspelen.
Bij het geschreven woord kan gewerkt worden aan het schrijven van brieven en gedichten en werkstukken maken.
Iedere leerkracht op onze school biedt elke dag een werkvorm aan waarbij wordt ingespeeld op de meervoudige intelligenties van de kinderen. Wij zijn ervan overtuigd dat kinderen beter leren als zij de leerstof op verscheidene manieren aangeboden krijgen. 

Observatie en toetsing zijn voor ons belangrijke signalen om te kijken of een kind een ander onderwijsprogramma behoeft. In principe wordt altijd ondersteund door een intelligentie onderzoek.

Lees- en taalbevordering
  • In de school is een actueel boekenaanbod in de schoolbibliotheek..
  • Er kan een schrijver uitgenodigd worden in de klas om een interview te geven en voor te lezen.
  • Ieder jaar doen de klassen mee aan de Nederlandse Kinderjury. Er wordt een keus gemaakt uit de boeken die dat jaar meedoen. Deze worden voorgelezen, alvorens er een tentoonstelling en/of presentatie gehouden kan worden, waarna de keus wordt ingestuurd.
  • Er worden voorleeswedstrijden georganiseerd vanaf de middenbouw.
  • Door de school heen hangen werkstukken van kinderen, die tijdens de praktijkdag op de woensdag gemaakt zijn. Hieronder vallen ook taalbevordering.


Toetsing taal
Groep 1+ 2
·         Observatie toets PRAVOO (jongste en oudste kleuters)
·         Cito Taal voor kleuters (jongste en oudste kleuters)
·         Taaltoets Alle Kinderen (TAK) (incidenteel)
·         Screeningsinstrument beginnende geletterdheid (groep 2-3 incidenteel)

Groepen 3 tot en met 8
In de groepen 3-8 worden ‘Methode gebonden toetsen’ afgenomen. Dit zijn toetsen die horen bij de methodes die in de klassen gebruikt worden. Het doel van deze toetsen is om te kijken of de leerlingen de behandelde stof goed is verwerkt. Naast de methode gebonden toetsen worden ook methode onafhankelijke toetsen afgenomen. Deze toetsen zijn genormeerd en hierdoor kan een vergelijking gemaakt worden met de  ‘gemiddelde Nederlandse leerling’. Om een goede vergelijking te kunnen maken  zijn hiervoor bepaalde toetsperiodes. De toetsen worden ieder jaar in een vaste maand afgenomen. Toetsen die we gebruiken:

·         CITO leestechniek en leestempo
·         Drie Minuten Toets (leesvaardigheidtoets)
·         Screeningsinstrument dyslexie (groep 4-8 incidenteel)
·         AVI-toetsen ( incidenteel)
·         Begrijpend lezen Cito
·         SVS spellingstoets Cito
·         Taaltoets Alle Kinderen (incidenteel)
·         Cito entree (groep7)
·         NIO (groep 8)
·         Drempelonderzoek
·         CITO eindtoets (groep 8)
·         Methodegebonden toetsen

Taalopbrengsten
Volgens de kerndoelen en leerlijnen van SLO, wordt er vorm gegeven aan taal.

DyslexieVanaf groep 4 kan er pas getoetst worden op dyslexie. Maar in de kleuterklas kunnen al signalen van dyslexie voorkomen bij een kind. Hiervoor wordt een signaleringslijst gebruikt om te kijken of een kind aan de kenmerken van dyslexie voldoet. Er kunnen dus al maatregelen genomen worden voordat er officieel bekend is dat een kind dyslexie heeft.

Wanneer er vermoeden is van dyslexie (bij meerdere E-scores achtereenvolgend op de CITO-leestoetsen) praten de school en ouders er samen over. Wanneer er na extra hulp, die verschilt per kind, nog geen verbetering te zien is in de resultaten kan de ouder/verzorger een diagnose dyslexieonderzoek aanvragen.

We werken op school met het protocol dyslexie. Aan de hand van een aantal stappen kan dyslexie worden geconstateerd. Bij de aanpak van dyslexie wordt zoveel mogelijk uitgegaan en gewerkt met concreet materiaal en aanpassing van de hoeveelheid leerstof.

Wanneer dyslexie geconstateerd word krijgt een kind op maat extra hulp vanuit de school. Dit gebeurt via professionalisering van leraren, intern begeleiders, remedial teachers, ambulant begeleiders en zorgcoördinatoren.
Verder werkt de school met de activiteiten van het Masterplan. Deze richten zich op een eenduidige signalering van leesproblemen, dyslexie en op begeleiding van dyslectici op alle scholen voor primair, speciaal en voortgezet onderwijs. Het gaat er om dat leerlingen snel en adequaat worden begeleid.

Zorg
De toetsen worden opgenomen in het leerlingvolgsysteem van Pernassys, alvorens er eventuele herhaling- en verdiepingopdrachten worden aangeboden. De toetsing wordt gebruikt voor rapportages, evaluaties en observaties.
Wordt er in de klas een leerling met een taalprobleem of achterstand geconstateerd dan bekijkt de leerkracht dit probleem en zoekt uit wat de oorzaak van het probleem is d.m.v. observaties. Deze bevindingen worden besproken met de IB-er. Er wordt gepaste hulp voor een leerling gezocht. Dit kan door middel van extra (individuele) instructie van de klassenassistent. Ook kan het zo zijn dat er meer hulp nodig is voor een leerling. Dan wordt de RT-er ingeschakeld.

RT-er
Hulp bij taal kan zijn in de vorm van pré-teaching. De leerstof die wordt behandeld in de praktijk, wordt daarna nog eens op school aan de orde gesteld. Voor veel kinderen vergroot dit het begrip. Een essentieel punt van de pré-teaching op onze school is de goede samenwerking tussen de RT-er en de leerkracht. Het doel van deze vorm van hulp is het voorkomen van achterstanden.

Een andere vorm van hulp bij  taal is re-teaching. Dit is het herhalen en opnieuw uitleggen van reeds eerder aangeboden leerstof. Hierbij wordt er op diverse manieren extra ondersteuning geboden. Re-teaching is waardevol, omdat veel leerlingen de inhoud van een les niet in één keer oppikken. Het doel van deze vorm van hulp is het inhalen en voorkomen van (grotere) achterstanden. 

Er kunnen natuurlijk ook taalstoornissen zijn. Als de leerkracht vermoedt dat er meer aan de hand is wordt er een onderzoek gestart. (zie extern zorgbeleid)


Onderwijsassistent
De onderwijsassistent neemt de extra taalactiviteiten voor de rekening, zodat de leerkracht zich optimaal kan richten op het geven van een gestructureerd taalbeleid.
De onderwijsassistent geeft herhalings- en verdiepingsopdrachten aan de kinderen die dit nodig hebben.
Daarnaast richt de onderwijsassistent zich op het geven van extra taaloefeningen aan kleine groepen kinderen, waaronder NT2 kinderen. Ook zorgt de assisstent voor extra materiaal voor vooroplopende kinderen en aangepaste oefeningen voor kinderen met dyslexie.


Zaakvaklessen geïntegreerd met taal
Vanuit onze schoolvisie, wordt er tijdens expressieve vakken zoals drama, handvaardigheid, gym en techniek, ook aandacht besteed aan taal. De vakdocenten zorgen ervoor dat de kinderen de spreekvaardigheid goed leren toepassen, letten op spelling waar dat van toepassing is.
Tijdens de klasoverstijgende activiteiten, leren de kinderen taal van en met elkaar. De docent let hier tevens op de spreek- en schrijfvaardigheid van de kinderen.
Studerend en begrijpend lezen komen terug in de zaakvakken, waarin de leerkracht de leerlingen hierop goed stuurt en begeleidt.
Hoe meer de leerlingen met taal bezig zijn op diverse manieren, hoe beter taal wordt geïntegreerd op de verschillende domeins gebieden. Dus maximaal rendement!


Roos Haaij, Sanne Langeveld en Kayleigh van den Oever
Taalcoördinatoren
Basisschool ‘De Leidse Schipper’.

maandag 11 juni 2012

Toepassingskaart 7: LEERLINGVOLGSYSTEEM

Opdracht A:

Leerlingvolgsysteem
Op de Waterval wordt met een leerlingvolgsysteem gewerkt. Het doel van het leerlingvolgsysteem is de vorderingen en de ontwikkelingen van de individuele leerling te volgen en het onderwijs, daar waar mogelijk, op de behoefte van het kind af te stemmen. Naast de methodegebonden toetsen worden toetsen gebruikt uit het leerlingvolgsysteem van CITO. Deze toetsen hebben een landelijke normering, zodat gekeken kan worden hoe onze kinderen het op school doen in vergelijking met andere kinderen.
De uitslagen van de toetsen worden op de rapportavonden met u besproken.
Gedurende de schooltijd ontstaat voor elk kind een dossier (met o.a. rapportgegevens, kindbesprekingen, verslagen van eventuele huisbezoeken, gesprekken en afspraken met ouders, enz.).
De gegevens uit dit leerling-dossier kunnen een goed inzicht geven in de schoolloopbaan van het kind. Dit dossier blijft nog vijf jaar nadat de leerling de school heeft verlaten op school waarna het wordt vernietigd. Gegevens uit het leerling-dossier worden alleen met uw schriftelijke toestemming aan derden verstrekt.

1. Sluit het LVS aan op de visie van mijn stageschool?
Het LVS sluit goed aan op de visie van mijn stageschool. De school wil een goed inzicht geven in de schoolloopbaan van het kind. Het doel van het leerlingvolgsysteem is de vorderingen en de ontwikkelingen van de individuele leerling te volgen en het onderwijs, daar waar mogelijk, op de behoefte van het kind af te stemmen.

2. Ziet het schoolteam het LVS als een nuttig instrument of als verplichting van buitenaf (overheid/inspectie)?
Het schoolteam ziet het LVS als een nuttig instrument. Ze gebruiken het daarom erg vaak.

3. Wat zijn de bevindingen van mijn mentor met het LVS?
Mijn mentor vindt het werken met het CITO systeem erg handig. Zij voert de scores in en ze krijgt gelijk een overzicht van wat de leerlingen gescoord heeft. Ook is er een duidelijk overzicht van het gemiddelde van een leerling.

4. Wat vind ik zelf van het gekozen systeem?
Ik vind het een overzichtelijk systeem. Alles is duidelijk. De leerlingen staan duidelijk aangegeven en je ziet een handig overzicht.



Leerlingvolgsysteem CITO
Opdracht B en C (groepsproduct):

1.Geeft het LVS de ontwikkeling van alle type kinderen goed weer?
Met het programma maak je overzichtelijke analyses en rapporten en daarom is het een handig middel bij het nemen van strategische beslissingen. Het geeft uitgebreide rapporten op leerling-, groeps-, en schoolniveau. Op deze manier is het heel erg overzichtelijk en kun je goed zien wat welk kind nodig heeft en er worden ook nog suggesties gedaan.
2.Geeft het LVS duidelijk aan wanneer een gedragsvorm (ook leergedrag ) als problematisch beschouwd wordt?
Er wordt speciaal aandacht besteedt aan kinderen in cluster 1,2,3,4, het speciaal onderwijs en zorgleerlingen in het basisonderwijs. Voor het leergedrag hebben we SCOL.
3.Kunnen er groepsoverzichten gemaakt worden om te bekijken hoe het onderwijsaanbod aangepast moet worden?
Zoals je bij het antwoord op vraag 1 kunt lezen kun je rapporten op leerling-, groeps- en schoolniveau bekijken.
4.Zijn er diagnosemogelijkheden, geeft het LVS mogelijkheden om opgespoorde kinderen verder te onderzoeken?
Als je een foute analyse maken met de CITO dan wel en dan weet je waar de kinderen op uit vallen. Dan kun je de instructie daar op aanpassen.
5.Geeft het duidelijk aan wanneer er bij een kind naar externe deskundigheid moet worden gezocht?
Als een kind een D of een E blijft scoren en geen vooruitgang boekt en ook niet qua percentages maar blijft hangen, dan moet je hulp vragen.
6.Geeft het mogelijkheden m.b.t. begeleiding?
Ja, zie vorige vragen.
7.Hoeveel tijd kost het systeem de leerkracht per kind per jaar?
10 minuten per kind bij het CITO LVS. Bij SCOL is het 20 minuten per jaar.
LVS ParnasSys

1.Geeft het LVS de ontwikkeling van alle type kinderen goed weer?
Ja, er is bijvoorbeeld een handige functionaliteit voor de 1-zorgroute en het groepsplan. Ook bied de leerlingkaart een overzicht van alle gegevens van de leerling /groep op één scherm.
2.Geeft het LVS duidelijk aan wanneer een gedragsvorm (ook leergedrag) als problematisch beschouwd wordt?
In ParnasSys zit ook een leergedragsysteem in, dus alles in één. Je kunt bij de leerlingkaart een overzicht van alle gegevens tevoorschijn halen, zodat je alle informatie goed kunt bekijken.
3.Kunnen er groepsoverzichten gemaakt worden om te bekijken hoe het onderwijs aanbod aangepast moet worden?
Er kunnen groepsoverzichten gemaakt worden in het programma. Ook heeft ParnasSys voor het handelingsplan een vaste indeling en lay-out en binnen die indeling kan een eigen bibliotheek met schoolspecifieke plannen vastgelegd worden.
4.Zijn er diagnosemogelijkheden, geeft het LVS mogelijkheden om opgespoorde kinderen verder te onderzoeken?
Je kunt per leerling per vakgebeid kijken naar de ontwikkelingsprognose. Daarna kun je kijken hoe je dat verder gaat aanpakken.
5.Geeft het duidelijk aan wanneer er bij een kind naar externe deskundigheid moet worden gezocht?
Ja, door de ontwikkelingsprognoses die je kunt maken met het programma, kun je bekijken wanneer een kind naar externe deskundige moet.
6.Geeft het mogelijkheden m.b.t. begeleiding?
Ja, zie vorige vragen.
7.Hoeveel tijd kost het systeem de leerkracht per kind per jaar?
30 minuten per jaar.
Vergelijken van lvs ParnasSys en lvs CITO
Overeenkomsten:
·         In allebei kun je kijken naar de ontwikkelingsprognose van een kind per vak.
·         Allebei geven een overzicht van het kind weer op leerling-, groepsniveau.
·         Je kunt bij beide de gegeven erbij pakken om te kijken of het kind ergens op uitvalt.
·         Er wordt bij beide ongeveer dezelfde tijd ingestoken per kind per jaar.

Verschillen:
·         ParnasSys heeft ook een gedragsoverzicht in het LVS en CITO heeft dat niet en daar wordt SCOL voor gebruikt.
·         Ouders kunnen inloggen op ParnasSys en zien wat de leerkrachten willen dat ze zien.
·         CITO kan ook een overzicht maken van het kind op schoolniveau.

Wat zijn onze specifieke eisen aan een leerlingvolgsysteem?
·         Wij willen de ouders betrekken bij de ontwikkeling van hun kinderen. Daarvoor willen wij dat ze kunnen inloggen op de website en de ontwikkeling van hun kind kunnen zien.
·         We willen graag dat het LVS en LOVS samen in één programma zit, zodat je er gemakkelijk gebruik van kunt maken.
·         Je moet makkelijk de ontwikkeling van een kind/groep kunnen zien in bijvoorbeeld een grafiek of overzicht.
·         Het leerlingvolgsysteem moet makkelijk te gebruiken zijn voor de leerkrachten en andere personen die hier gebruik van maken.
·         De ontwikkeling van een kind moet duidelijk weergeefbaar zijn, zodat er eventuele interne of externe hulp aan te pas komt.

Keuze leerlingvolgsysteem:
Wij hebben gekozen voor het leerlingvolgsysteem ParnasSYs. We kwamen erachter dat CITO en ParnasSys niet veel van elkaar verschilden behalve op een aantal punten. Deze punten kwamen echter ook terug in ons eisenpakket voor het kiezen van een leerlingvolgsysteem. Deze punten waren dat ParnasSys een gedragsoverzicht in het LVS heeft en CITO dat niet heeft. Ook vinden wij het belangrijk dat ouders de informatie die wij vrij willen geven, kunnen bekijken.

Toepassingskaart 6: OUDERINFORMATIEAVOND

Opdracht A:

Hand-out motorische ontwikkeling

Lichamelijk - motorische ontwikkeling
Wat betreft de fysieke ontwikkeling is rond het vijfde levensjaar van een kind het typerende van een kleutergestalte te zien. Enkele eigenschappen hiervan zijn een verhoudingsgewijs groot hoofd met een sterke voorhoofdswelving en relatief korte armen en benen.

Wat betreft motoriek wordt onderscheid gemaakt tussen grove motoriek en fijne motoriek. Grove motoriek heeft betrekking op balans, voortbeweging en coördinatie van het hele lichaam en de fijne motoriek heeft voornamelijk betrekking op de functie van de handen. Bij de kleuters is het natekenen van letters en cijfers een uitdaging voor de ontwikkeling van de fijne motoriek, buiten de fijne motoriek vergt schrijven een goede hand-oog coördinatie. Kleuters gebruiken bij de beweging van een pen of potlood over het papier in eerste instantie hun hele arm en bewegen vanuit de schouder. Naarmate de ontwikkeling vordert, worden het lichaam en de schouder meer stil gehouden en komen de bewegingen vanuit de elleboog en nog later vanuit de pols- of vinger gewrichten (Alkema e.a., 2006)

Grove motorische ontwikkeling:
Volgens het GOVK, het Gouds Ontwikkeling Volgsysteem voor Kleuters, moeten kinderen begin groep 1:
ü  Lopen:  Een overgang maken van ongecoördineerd en wankel lopen naar ritmisch lopen.
ü  Rennen: Een overgang maken van rennen met overtollige lichaams- en armbewegingen en hetzelfde tempo als lopen naar rennen zonder overtollige bewegingen, met soepele beweging van voeten en in een hoger tempo.
ü  Huppelen: Een overgang maken van huppelen door schuifelen en huppelen met een voorkeursvoet naar huppelen door enkele passen de maken zonder voorkeursvoet.
ü  Springen: Met hulp en met twee voeten tegelijk gespannen van de grond springen.

Fijne motorische ontwikkeling:
Volgens het GOVK, het Gouds Ontwikkeling Volgsysteem voor Kleuters, moeten kinderen begin groep 1:
ü  Met twee handen, ongericht een bal kunnen rollen.
ü  Een pittenzakje of een bal in een ‘schaaltje’ van twee handen kunnen vangen.
ü  Een grote bal, onderhands, kunnen gooien.
ü  Bouwen met groot constructiemateriaal.
ü  Aanleren van een knipbeweging en knippen van een rechte en gebogen lijn.
ü  Plakken.
ü  Aanleren van de techniek van vouwen.
ü  Tekenen en schilderen: vrij werken met groot materiaal, inkleuren van grote vormen, stimuleren van de juiste pengreep.

Lichaamsorientatie
Kennis van het eigen lichaam à ledematen houding
Goed voor ruimtelijke orientatie van kind, wat weer handig is voor toekomst. (kaartlezen etc.)
Jonge kleuters tot 4 jaar
à benoemen eigen lichaamsdelen
Kleuters tussen 4 en 6 jaar à lichaamsdelen bij andere kinderen, poppen en knuffels
è Geen voorbeelden meer nodig, weten uit het hoofd
è Lichaamsdelen met ogen dicht aanwijzen
è Symmetrische bewegingen nadoen met geheel lijf.
è Zelf bewegingen bedenken bij verteld verhaal (een beweging tegelijk)

Vanaf 6 jaar:
è Meervoudige opdrachten zonder voorbeeld uitvoeren
è Eigen lichaamshouding zelf beschrijven

Tekenontwikkeling
Vertalen wat de kinderen zien en beleven.
Ontwikkeling van b egrip ervaring en expressie hebben een ongelijk verloop. Dit is vaak terug te zien in de tekening. Ze hebben vaak een beter begrip van de werkelijkheid dan dat ze in hun tekening laten zien.
Jonge kleuters tot 4 jaar
è Krassen en krabbelen
è Losse lijnen
è Cirkels
è Rechte kruisen
è Vierkanten
è Weten nog niet van tevoren wat ze gaan tekenen
è Kopvoeter als mens
Tussen 4 en 5 jaar:
è Kopvoeters meer details à verlenge kopvoeters (benen)
è Inkleuren
è Tekenblad wordt ingevuld met passende voorwerpen
è Van te voren plan gemaakt wat te tekenen

Tussen 5 en 6 jaar
è Volledig mensfiguur (hoofd romp armen benen)
è Veel details (kleren, hoedjes enz.)
è Tekenblad verder ingevuld met andere voorwerpen die bij tekening passen
è Leerkracht vragen naar achtergrond van tekeningen

Kleine motoriek
-          Het maken van kleine, subtiele lichaamsbewegingen
-          Observatiepunten: schrijven, tekenen, plakken en knippen

Grote motoriek
-          Bewegingspatronen worden voltooid, verfijnd en versoepeld.
-          Observatiepunten: buitenspelen en gymlessen

Kleine motoriek
-          Het maken van kleine, subtiele lichaamsbewegingen
-          Leren schrijven (vingerkootjes buigen zonder dat hele arm gaat meedoen)
-          Observatiepunten: schrijven, tekenen, plakken en knippen.


6-jarige
7-jarige
8-jarige
9-jarige
Kan eenvoudige schrijfpatronen maken
Kan moeilijkere schrijfpatronen maken
Heeft een voldoende schrijf- en zithouding
Maakt hoofdletters met een regelmatige vorm
Kan veters schrikken
Kan letters en woorden los schrijven, er is een aanzet tot aan elkaar schrijven
Schrijft schrijfpatronen, letters en cijfers met een regelmatige vorm, in een regelmatig ritme
Kan goede verbindingen maken van hoofdletters met overige letters
Er is sprake van een voorkeurshand bij verschillende handelingen (gooien, tekenen, haar kammen)
Kan een cirkel uit de losse hand knippen, d.w.z. heeft daar geen getekend voorbeeld voor nodig
Kan verbindingen tussen letters maken
Schrijft geautomatiseerd met kleine regelafstand, zowel in een schrijfschrift als in een andere schriftelijke taalgebruiksituaties


Heeft een goede vorming van hoofdletters




Grote motoriek
-          Alle bewegingspatronen die kinderen tot nu toe hebben ontwikkeld worden voltooid, verfijnd en versoepeld. Kinderen worden behendiger en sneller in allerlei verschillende situaties.
-          Er ontstaan grote verschillen tussen leerlingen (zichtbaar tijdens buitenspelen en gymlessen)
-          Competitie en uitdagingen


6-jarige
7-jarige
8-jarige
9-jarige
Evenwicht kunnen bewaren: tien seconden op één been staan, vijf keer hinkelen op een voorkeursbeen
Fijne bewegingspatronen kunnen coördineren:
  • over een balk lopen
  • touwtje springen
  • bal laten stuiteren en vangen
Uithoudingsvermogen neemt flink toe, snelle herstelperiode na intensief beweging

Een stuiterende bal kunnen vangen

Langdurig een beweging kunnen uitvoeren, krachttoename

Een kleine bal kunnen vangen

Bovenhands werpen met een voorkeurshand, goed vangen van een grote en kleine bal, met en zonder stuiteren



Steeds verdere beheersing van zwaaien, diepspringen, steunspringen, rollen, duikelen, balanceren, loopspringen, klimmen, sprinten



Ontwikkeling van spel inzicht en regels




9 – 12 jaar.

Motorische ontwikkeling wordt verder verfijnd.
Goed uithoudingsvermogen,
Spieren worden sterker,
Vaardigheden krijgen ze sneller onder de knie.
Duidelijkere scheiding tussen motorisch vaardige en minder vaardigere kinderen.
Kinderen ontwikkelen belangstellingen, als het kind geen belangstelling heeft voor bewegen zal hij ook minder vaardig en ontwikkeld zijn.
Sociale verhoudingen worden vaak gebaseerd op motorische vaardigheden: De leider van een groepje is vaak iemand die motorisch sterk is, bijvoorbeeld een goede voetballer.
Dit maakt dat sport een belangrijke rol speelt voor kinderen.

Opdracht B:

Schoolgids:

Verslagen en rapportage
Naar aanleiding van observatie, toetsing en registratie vindt er een rapportage naar ouders plaats. Er zijn drie momenten in het jaar waarop we de vorderingen van de kinderen bespreken met ouders. In de schoolkalender vind je de data van de rapportages/ verslagen.
Contact buiten de geplande gesprekken tussen stamgroepleerkracht en ouders
Wanneer een stamgroepleerkracht een onverwachte ontwikkeling bespeurt, of er om andere reden contact met de ouder(s) wenselijk is, neemt de stamgroepleerkracht contact op met de ouders. Andersom is het ook de bedoeling dat ouders bij zorgen of vragen over hun kind, of bijv. een veranderde thuissituatie, contact opnemen met de stamgroepleerkracht.
Oudergesprekken:
Hoe worden de gesprekken voorbereid?
Naar aanleiding van de rapporten worden de gesprekken voorbereid. De rapporten zijn het uitgangspunt. Dit wordt met de duocollega besproken.
Hoe vaak vinden er 10 minuten gesprekken plaats in een jaar?De gesprekken vinden 3 keer per jaar plaats.
- November: subjectieve rapportage, dit gaat over het gedrag.
- Maart; objectieve rapportage; zoals de vakken rekenen, spelling
- Juni; naar aanleiding van het subjectief en objectief rapport.
Is zo’n gesprek met beide leerkrachten?Ja.
Hoe verloopt de organisatie bij tien-minuten gesprek?De school heeft een speciaal programma op de computer. Daar worden de namen van de kinderen ingevuld. Dit programma maakt vervolgens een rooster met daarin de tijden voor de ouders. Broertjes en zusjes volgen elkaar op. Het is dus niet zo dat de ouders een paar uur moeten wachten voordat ze naar een volgend gesprek kunnen. Dan gaan de brieven mee naar huis en kunnen de ouders aangeven of ze kunnen of niet. Als ouders niet kunnen wordt het gesprek op een andere tijd gepland, anders gaat het gewoon door.
Hoe ziet een tien-minuten gesprek er globaal uit?De leerkracht vraagt eerst aan de ouders hoe het met ze gaat. Ze stelt de ouders op hun gemak. Daarna vraagt ze aan de ouders of de ouders nog iets te melden hebben. Is er iets opgevallen bij de ouders naar aanleiding van het rapport? Of is er iets wat de leerkracht moet weten?
Dan wordt het rapport besproken met de ouders. De leerkracht houdt de gegevens van het kind erbij en vertelt over het kind en de resultaten van het kind.
Naar aanleiding van de resultaten, bepalen de ouders en leerkracht samen waar een kind aan moet werken.
Sommige gesprekken zijn snel klaar als het goed gaat.
Als er meer punten te bespreken zijn dat wordt er een vervolgafspraak gemaakt. Maar de school streeft naar het niet uitlopen van gesprekken.
Welke soorten gesprekken zijn er?- 10 minuten gesprek
- Groep 8: voorlopig schooladvies en eindgesprek. Dit gebeurt vaak gecombineerd.
- Gesprekken met een aanleiding. Bijvoorbeeld een kind dat zorg/ hulp nodig heeft.
- Ouders of leerkracht vraagt een gesprek aan.


Opdracht C: